Vrijkomende deeltjes door erosie

Bisfenol A

Bisfenol A (BPA) is een chemische stof die in veel producten voorkomt. BPA wordt gebruikt in plastics die worden toegepast in bijvoorbeeld bouwmaterialen, elektronica, plastic flessen, (voedsel)verpakkingsmateriaal en speelgoed. Daarnaast wordt BPA onder meer gebruikt als basis voor epoxy-verven en -lijmen. Bij windturbines kan BPA in kleine hoeveelheden in epoxy zitten, dat gebruikt wordt als hars voor de bladen van de turbines en een basis kan zijn voor de beschermende coatings.

Of en hoeveel BPA vrijkomt in het milieu door windturbines op land hangt sterk af van de gebruikte coatings. Voor windturbines wordt ook veel gebruikgemaakt van coatings van polyurethaan, waar geen BPA in zit. Als er BPA wordt aangetroffen in de omgeving van een windturbine, dan kan dat ook op een andere manier in het milieu terechtgekomen zijn. BPA wordt in veel producten gebruikt, zoals hierboven toegelicht.

Omdat het nog onbekend is of, en hoeveel, BPA er door windturbines op land in het milieu terechtkomt, is het niet mogelijk om een uitspraak over de gezondheidsrisico’s te doen specifiek voor windturbines op land en BPA. De kwaliteit van het oppervlakte-, grond- en drinkwater wordt in Nederland uitgebreid gecontroleerd op chemische verontreinigingen. Tot op heden zijn er volgens het RIVM in ieder geval geen aanwijzingen dat BPA een bedreiging is voor de kwaliteit van drink-, oppervlakte- en grondwater. Mocht BPA in het milieu terechtkomen, dan is naar verwachting van de GGD de blootstelling klein omdat we niet direct in aanraking komen met slijtageproducten van windturbines. Andere producten zoals bouwmaterialen, speelgoed en plastic flessen dragen meer bij aan de blootstelling van de mens.

RIVM-onderzoeken naar risico’s van chemische stoffen en plastic deeltjes van windturbines

Het RIVM heeft voor windturbines op land een quickscan uitgevoerd om inzicht te krijgen in emissies van chemische stoffen. Het betreft een verkennend onderzoek waarbij de gebruikte materialen, mogelijke emissies, een eerste inschatting van mogelijke risico’s en aanleidingen voor vervolgonderzoek in kaart zijn gebracht. De verkenning laat zien dat het aannemelijk is dat er uitloging is van stoffen uit de coatings op de masten van turbines als deze worden blootgesteld aan water. Uitgeloogde stoffen kunnen hierdoor in de bodem, het grondwater, of (via grondwater) in het oppervlaktewater terecht komen.

Het is nog onbekend welke stoffen dit precies betreft, tot welke concentraties in het milieu dit leidt en of er daardoor daadwerkelijk sprake is van risico’s voor mens en milieu. Uit dit eerder uitgevoerde onderzoek blijkt dat dit sterk per coating kan verschillen en er is geconcludeerd dat vervolgonderzoek nodig is om meer inzicht te verkrijgen. In de bredere verkenning naar het veilig gebruik van chemische stoffen in de energietransitie (RIVM) in het kader van het Impulsprogramma Chemische Stoffen 2023-2026 worden ook de resultaten van de quickscan meegenomen. Momenteel is het ministerie van EZK in gesprek met het ministerie van IenW (vanwege haar verantwoordelijkheid voor de geldende milieuregelgeving) over de vervolgstappen naar aanleiding van de uitkomsten van deze quickscan en het bredere onderzoek.

Het RIVM heeft ook onderzoek gedaan naar mogelijke risico’s van chemische stoffen en plastic deeltjes van windturbines op zee. De conclusies van het rapport Beoordeling mogelijke risico's van chemische stoffen en plastic deeltjes van windturbines op zee zijn niet toepasbaar voor windturbines op land. Dit komt omdat de berekeningen wat betreft het vrijkomen van BPA van toepassing zijn op de zogenoemde monopile, het deel dat onder water staat. Dat onderdeel wordt niet gebruikt bij windturbines op land. Bovendien zijn de omstandigheden van windturbines op zee heel anders dan die op land. Zo staan onderdelen permanent onder water en is bijvoorbeeld de wind een stuk harder.

Cookie-instellingen